Skip to content

Geografische nieuwsgierigheid in de genen

2019 February 17
by Jw

Eind vorig jaar stond Wageningen Universiteit een moment stil bij de 15e editie van de Masteropleiding in Geo-Information Science (MGI). Voor de gelegenheid werd een symposiumgeorganiseerd met als onderwerp van de dag: De toekomst van geo, hoe gaan we de volgende generatie opleiden? Naast geowetenschappers in spe waren er alumni, staf en overige geïnteresseerden aanwezig. Tot die laatste groep behoor ik ook, en als buitenstaander mocht ik mijn visie op het onderwerp van de dag delen. Mijn belangrijkste suggestie: geef vooral aandacht aan het geografisch gen en bevorder geografische nieuwsgierigheid.

Nieuw generaties

De toekomst van het onderwijs lijkt altijd een actueel onderwerp te zijn, onafhankelijk van het jaargetijde. Een werkveld verwacht nieuwe kennis van nieuwe generaties afgestudeerden, maar ook de vaardigheden om deze kennis in te zetten. In elke opleiding zijn er bestaande onderwerpen, die eigenlijk snel in de kast met oude instrumenten een plek mogen vinden en nieuwe onderwerpen, waar de wereld nu al om schreeuwt.

Zo mocht ik ooit tijdens mijn eigen opleiding (tot kartografisch ingenieur) aan de slag met inktpen en cromalin, terwijl er in de wereld om ons heen al druk werd geprogrammeerd. Zelfs de automatische tekentafel (flatbed plotters, voor de insiders) was al in gebruik genomen. Toch vonden de docenten het van belang om weten en te begrijpen hoe kaarten eeuwen daarvoor met de pen werden getekend en gekrast.

Geo-vaardigheden

Wat zijn de inktpennen van vandaag? En wat zijn de technieken van de nabije toekomst? De uitdaging ligt niet alleen bij het docententeam, vandaar de brede discussie met deelnemers, op het podium en in de zaal. Het zal ook in de toekomst zeker gaan om de concepten, die blijven, en niet om de tools. Die helpen enkel om de concepten te begrijpen en om ze in een juist perspectief te plaatsen.

Tegenwoordig start je vanuit de browser elk gewenste geo-analyse en ook voor de visualisatie van het resultaat heb je niet méér nodig. Daarnaast is geotechnologie veel compacter en mobieler geworden en worden vaardigheden als ondernemerschap en community-sturing belangrijker. Zo ook de vaardigheid om als student, en later als professional, je eigen leerpad uit te zetten, en daarvoor zelf verantwoordelijkheid te nemen. Leren om (geo) te leren dus.

Goede discussie met de zaal: wat zijn dan de 21-eeuws geovaardigheden, en (vanuit de zaal) zijn die echt zo anders dan die uit de 1e eeuw? Moeten we allemaal maar gaan programmeren? Een voorzichtige conclusie: beeld verwerking (image processing) en fotogrammetrie zijn helemaal terug van weggeweest.

Kortom, veel discussie, maar ze komen er zeker uit in het Wageningse. Niet voor niets kregen de docenten afgelopen oktober de beste beoordeling van studenten aan grote masteropleidingen (Beste Studies / Elsevier, 2018). De dag was compleet dankzij een MGI-quiz (hoeveel afstudeerders zijn er tot nu toe? Meer dan 380!) en een speciaal optreden van de fameuze MGI band, met hits als ‘This thing, ArcGIS’ en ‘Github is the way’. Gelukkig hebben we ook de foto’snog.

Een geografisch gen

Niet gehinderd door enige kennis van de genetica, stel ik me zo voor dat wij allemaal over een geografisch gen beschikken. Geo als een soort van inherente eigenschap, waar iedereen van nature al aanleg voor heeft. Het enige wat het onderwijs dan moet doen (…) : die eigenschap wakker schudden, het gen even ‘aan’ zetten. De kernvraag: hoe activeer je dat gen? Met inspirerende vergezichten die de nieuwsgierigheid bevorderen.

Voor mij persoonlijk was dat het beeld van Earthrise. De huidige equivalent is natuurlijk de Insights selfie vanaf Mars. Bij de MGI Opleiding in Wageningen zijn ze er goed in geslaagd: het geografisch denken (en handelen) van de alumni is niet meer uit te zetten. Mijn verzoek aan de aanwezigen: deel je leerdoelen en ervaringen (alumni) en je kennis en opleidingsmateriaal (universiteit). En mag zo’n dag wat vaker dan eens in de vijf jaar plaatsvinden?

Die tekenpennen heb ik overigens wel bewaard, maar nooit meer gebruikt. Ik begrijp nu wel hoeveel moeite het kostte om kaarten te maken.

Verschenen op geografie.nl, 5 februari 2019.

De kaart is niet het gebied, gelukkig maar!

2018 November 30

Afgelopen week was het weer eens zo ver: ik stond in een niet bestaande file. Tenminste, niet bestaand op de kaart van mijn auto navigatie, want vóór mij stond wel degelijk het verkeer stil op de snelweg. Er is niets vervelender dan in een file te staan die niet op de kaart staat of die niet tijdens de filemeldingen op de radio word genoemd. Alsof je eventjes niet bestaat. Ik had het natuurlijk kunnen weten, de kaart is nu eenmaal niet het gebied**. Een uitspraak*, die in verschillende wetenschappen tot nader onderzoek uitnodigt.

Model van de werkelijkheid

Dat een kaart van een gebied niet hetzelfde is als het gebied lijkt een open deur. Een toeristische kaart van Amsterdam is niet hetzelfde als de toeristenstroom op straat en de bewegende kaart van de NS app is niet hetzelfde als de echte trein op de rails. Maar toch halen we model (kaart) en werkelijkheid regelmatig door elkaar. Ze hebben immers veel met elkaar te maken: die kaart gaat over Amsterdam! We nemen de kaart, zeker als deze uit een computer komt, gemakkelijk voor waar aan, in de zin van: gelijkend op de werkelijkheid. Dat doen we dan wel door de ogen van de maker van het model. Het is daarom handig om te begrijpen hoe dat model in elkaar zit. Welke datastroom en welk algoritme worden gebruikt om de file te voorspellen: de berichten van de nieuwslezer, de lussen in het wegdek of de data van (voldoende) stilstaande auto’s zelf?

1:1 kaart

Dankzij nieuwe technologie (overal sensoren, die altijd aan staan) wordt het mogelijk de werkelijkheid steeds beter te benaderen. De technische gedreven dwang om de werkelijkheid zo exact mogelijk af te beelden kan ook doorschieten: het nut van het verzamelen van data kent zo zijn grenzen. Zo schreef Jorge Louis Borges** al over een rijk waar de cartografen in de gunst van de koning waren gekomen en op zijn bevel zijn rijk met een schaal van 1:1 mochten afbeelden. Als een deken over het land werd alles 1:1 geprojecteerd, niets werd meer overslagen. Dat het nut van zo’n kaart zeer beperkt is (waar blijft het overzicht, het inzicht, het zonlicht..) werd al snel duidelijk. Lappen van de overgebleven kaart werden generaties later in de woestijn nog aangetroffen, als onderdak voor dieren en bedelaars.

Soms weten we te weinig van de werkelijkheid om een harde, scherpe lijn op de kaart te rechtvaardigen. Een lijn die de grens van een geluidszone aangeeft, heeft een hele andere exactheid dan de lijn, die de grens van een gebouw weergeeft. Een collega wees met recent op de mogelijkheid om dat soort grenzen als ‘geschetst’ te visualiseren. Een geplande wijk of stadsgezicht krijgt zo een wat cartooneske aanblik. Voor de ondergrond (dank open data van het Dinoloket van TNO) werkt deze visualisatie ook: daar verdienen de grenzen helemaal niet zo’n exacte afbeelding. Misschien past zo’n wazige visualisatie ook beter bij de navigatie-app in auto, zo van: daar begint die file mogelijk ongeveer.

Grip op de werkelijkheid

Moeten dus maar ophouden met kaarten, als modellen van de werkelijkheid, te produceren? Niets minder waar, de werkelijkheid zelf is té overweldigend om in één keer te bevatten. We hebben juist modellen en abstracties nodig om enig begrip van de werkelijkheid op te kunnen doen. Maar tegelijkertijd is het raadzaam om met meerdere modellen van de werkelijkheid te werken en om maker en model kritisch te blijven benaderen.

Terugkomend op de onverwachte file: gelukkig overkomt het tegenoverstelde mij ook regelmatig. Dankzij de app stel ik me in op een aangekondigde file over 16 km. Eenmaal bij de plaats delict aangekomen is er in velden of wegen een file te bekennen. Gelukkig maar, mijn dag is weer helemaal goed. Fijn model van de werkelijkheid, die app!

 

* De uitspraak komt uit Alfred Korzybski’s Science and Sanity. Voor wie actueleele verdieping in het onderwerp zoekt: The Map and the Territory, Wuppuluri, Shyam, Doria, Francisco Antonio (Eds.), Springer.

**Zie On Exactitude in Science, Jorge Louis Borges. Lewis Carroll (Sylvie and Bruno Concluded) en Umberto Eco (“On the Impossibility of Drawing a Map of the Empire on a Scale of 1:1”) hebben het onderwerp ook beschreven.

Verschenen op geografie.nl, 14 november 2018.

Leren zonder grenzen

2018 October 12

Recent mocht ik een bijdrage leveren aan de 25e Esri GIS Conferentie, door een lezing met ‘grenzen’ als onderwerp te verzorgen. De geo-professional, wie dat dan ook mag zijn, omgrenst verschijnselen zodat we ze kunnen bestuderen. Sommige grenzen zijn nauwkeurig te bepalen en andere grenzen zullen altijd wazig blijven. Grenzen zijn zelden statisch, ze bewegen. Iedereen heeft wel een associatie met grenzen, het begrip maakt altijd wel wat los. Genoeg perspectieven om nader te onderzoeken.

Onderwijs en werkveld

Het is goed om af en toe even stil te staan bij wat ons begrenst, als persoon, als mens binnen een organisatie. Om je vervolgens af te vragen of die grens wel terecht is en of deze enkel in ons hoofd bestaat. En om er vervolgens overheen te stappen en gewoon te kijken wat er dan gebeurt. Grenzen worden gelegd, maar juist ook verlegd.

We hebben specifiek stilgestaan bij de grenzen tussen het onderwijs en de wereld van de professional, de verdwijnende grenzen binnen organisaties, de schuivende grenzen tussen mens en machine, en de stevige grenzen, barrières zo u wilt, die we tegenkomen als we maatschappelijke uitdagingen willen aangaan (lees energietransitie, klimaatadaptatie). Persoonlijk mocht ik de grens van onderwijs en werkveld toelichten.

De wereld van het leren is zonder grenzen geworden. Ik doel dan niet enkel op blended learning, waarbij het schoolgebouw, als de plek waar het echte lerenplaatsvindt nog steeds een belangrijke plaats inneemt. Het gaat me ook om de werelden van hoger onderwijs en een werkveld, werelden die elkaar echt nodig hebben: nieuwe opleidingen moeten ideeën eerst extern toetsen, voordat er onderwijs ontwikkeld gaat worden. Kritische meedenkers uit een werkveld kunnen voor echte opdrachten, vers uit de daagse praktijk, aanleveren en dat maakt het leren voor studenten levendig en actueler.

Doe mee!

Eerder al op dezelfde conferentie vertelde Tim Favier aan een volle zaal van GIS-professionals waarom GIS zo expliciet in het VO-eindexamen is opgenomen. Zelf vind ik het burgerschapsargument het meest aansprekend: leerlingen kunnen zelf uitspraken doen over ruimtelijke vraagstukken, dankzij GIS. Dat is niet alleen een noodzakelijk vaardigheid in een landje zoals Nederland, waar veel onderwerpen aanspraak op de ruimte maken, maar ook op wereldwijde schaal is dat een zeer nuttige vaardigheid.

Stapsgewijs werd het TPACK model door Tim uit de doeken gedaan, want als je GIS in de klas wil toepassen dan heb je kennis nodig van technologie, pedagogiek en content. Als randvoorwaarden benoemde hij het examenprogramma, de hardware, applicaties, geo-data, lesmateriaal en natuurlijk de docent voor de klas. Dat al die kennis niet meteen bij één docent of team te vinden is, is bijna vanzelfsprekend. Daarom sloot Tim af met een oproep aan de zaal om in actie te komen: Doe mee! Help als GIS-consultant een school in de buurt, je neef die ook docent is of gewoon de middelbare school, waar je kinderen elke dag naar toe fietsen. Het is zeker een leerzame ervaring.

Horizon

Als we wat langer bij grenzen stilstaan, dan blijkt soms dat onze eerste gedachten niet meteen de beste zijn. Ergens had ik het idee dat grenspalen tussen Nederland en onze buren op de grens zouden staan. Dankzij zomerstudent* Martijn Noomen weet ik nu dat de kleine obelisken vooral dienen om de echte grens te kunnen aanwijzen, bijvoorbeeld 14 meter verder. Verder blijkt Nederland vol met bestuurlijke grenzen, van gemeentegrens tot COROP-regio. Het resultaat, een kaart van de bestuurlijke dichtheid, brengt de burger mogelijk aan het twijfelen over zelfredzaamheid.

Hoe verschillend we tegen grenzen aan kunnen kijken: is de horizon, de grens van wat we kunnen zien, nu ‘het einde’ (de einder) of juist de plaats, de zone, strook, voor een nieuw begin? Voor het GIS in het voortgezet onderwijs, en vooral de leerlingen die zo graag naar buiten gaan, ga ik uit van dat laatste.

*mijn eerste associatie blijft een student die druiven gaat plukken in Frankrijk, maar het is gewoon een in de vakantie doorlerende student.

Verschenen op geografie.nl, 5 oktober 2018.