Skip to content

Ruimte voor de analoge tweelingstad

2020 February 2
by Jw

In tijden van continue digitalisering is het goed om eens bij het analoge, het tastbare, stil te staan. Daarvan werd ik me bewust toen we tijdens een pauze tussen twee lessen door vanuit de Aeres Hogeschool naar de stadsmaquette van Almere zijn gelopen. Het was me geheel ontgaan dat de hele gemeente en een aantal Almeerse gebouwen door een echte “Lego Certified Professional” met miljoenen Legosteentjes zijn nagebouwd. Zo’n analoge maquette doet je blijkbaar wat, want het veroorzaakte een wauw-effect bij de studenten. En dat effect levert allerlei vragen op.

Tastbare 3D-modellen

Staat zo’n 3D-model dichter bij onze belevingswereld dan een platte kaart, met slechts twee dimensies? De tastbare 3D-maquettes, die we regelmatig in de buitenruimte van historische steden aantreffen, suggereren van wel. Vaak staan er groepjes toeristen om de maquette van het oude stadscentrum en worden de gebouwen uit het model met de echt versie vergeleken. De koperen modellen kennen zwaar versleten plekken, waar de lezers niet enkel met de ogen naar hebben gekeken. Een stadsplattegrond met versleten plekken heb ik nog niet gespot.

De behoefte om de wereld in 3D tastbaar te maken is op veel plaatsen terug te vinden. Van nationaal park tot directiekamer en welkomsthal: bij menig organisatie prijkt met trots een maquette van een gebouw, natuurgebied of nieuwbouwzone naast de draaideur van de hoofdingang. Ook tijdens de Provada was de analoge maquette prominent aanwezig. De tentoongestelde modellen waren met passie handmatig gebouwd en voorzien van nepboompjes, blauwe beekjes en gifgroene grasvelden. Slechts een enkele digitale variant kwam ter plekke uit de 3D-printer gerold. Zo snel zal het met de hippe AR/VR* brillen, die ons een geheel digitale, virtuele wereld voorschotelen, nog niet gaan.

Net als melk

Een echte tweelingstad kan je het Legostadsmodel niet noemen. Bij die term krijg je minstens het idee van enorme gelijkenis, zo niet een hoge factor indentiekheid, maar daarvan is bij dit model van Almere geen sprake. De Legomaquette toont een wat abstracte maar vooral witte stad. Er is geen groen te bekennen, terwijl groen juist een onderwerp is waar deze stad zich op wil profileren.

Zo’n tastbaar model van een moderne stad vormt een rijke bron voor véél meer vragen. Wat gebeurt er als we naar de wereld kijken door het Legoblokjesmodel? De vloeiende bogen van wegen en spoorwegen zijn geen vloeiende lijnen op de Legokaart, maar worden op het Legoraster in blokjes weergegeven. Af en toe is er slechts een enkel Legoblokje geplaatst. Wanneer is een verandering in de topografie een Legopixelwaardig? Na het ontwerp en de bouw van het model is de werkelijkheid allang doorgedenderd. Hoe is de actualiteit in dit model verwerkt?

Modellen en kaarten, ze zijn net als melk**. Het doet de lezer en bewonderaar goed om, net als op een pak melk, eerst naar de productiedatum, of beter de houdbaarheidsdatum te kijken. Met als achterliggende waarschuwing: daarna is het gebruik voor eigen risico en mogelijk enkel ter lering en vermaak.

Paradox van het model

Wat we voelen bij zo’n analoge tweelingstad is lastig in een model te duwen, of dat model nu augmented of virtueel, digitaal of analoog is. Kun je de mate waarin een stadsmodel je raakt digitaliseren? Of (jeugd)sentiment en het plezier ervan bouwen met Lego? Er is zoveel niet in het model opgenomen. Wat is het dan het doel van zo’n maquette?

Een model van de werkelijkheid straalt onzichtbaar een soort van tegenstrijdigheid uit. Aan de ene kant is elk model altijd maar een beperkte weergave van de werkelijkheid, met tekortkomingen door bijvoorbeeld houdbaarheid en actualiteit, en dus toepasbaarheid. Aan de andere kant is de werkelijkheid te overweldigend en niet te bevatten zonder modellen te gebruiken. We zijn als het ware tot modellen veroordeeld. Misschien zijn verbazing opwekken en vragen oproepen de belangrijkste doelen van een model. In dat geval zijn de modelbouwers in Almere er goed in geslaagd en kan ik zo’n (Lego)stadsmodel elke gemeente van harte aanbevelen.

 

* Augmented Reality (geholpen werkelijkheid) en Virtuel Reality (virtuele werkelijkheid).
**geleend van Mark Monmonnier, How to lie with maps, (U of Chicago Press).

 

Verschenen op geografie.nl, 25 januari 2020.

Verbaaskaarten in de media en op school

2019 December 1
by Jw

Het goede nieuws: kaarten hebben het tij mee. Door een overvloed aan data en visualisatietechnologie mogen meer lezers van meer kaarten genieten. En dankzij de digitale media komen de kaarten allemaal uit een computer, dus moet de kaart wel waar zijn.

Maar technologie maakt geen kaarten en bij een snelle kaart ligt een ruimtelijke denkfout al gauw in het verschiet. Enige verbazing over wat en hoe op kaarten wordt verbeeld is op zijn plaats. Het is absoluut geen klacht die een lezersbrief waard is. Hoe meer kaarten verbazen, des te beter. Zolang ze de lezer van de kaart maar aan het denken zetten.

Huurprijzen door een provinciebril

‘Huren in de vrije sector: waar ben je duur uit?’, kopt de Telegraaf. Met andere woorden: waar stijgen de huren en waar niet? In de bijgaande kaart staan de provincies en een aantal grote gemeenten gezamenlijk afgebeeld. Volgens de bron Pararius winnen de middelgrote steden in de buurt van grotere steden aan populariteit.

Dat de huurprijzen per provincie behoorlijk zullen verschillen verrast niemand. Maar is het wel handig om met de provinciebril op naar prijsverschillen in huur te kijken? Zijn daardoor kleine provincies niet minstens visueel in het nadeel, gezien grote provincies op zo’n kaart meer impact maken? Friesland komt er wel erg negatief (-10 procent lagere huurprijs) uit, terwijl buurprovincie Drenthe behoorlijk in de plus staat (9,3 procent). Is de spreiding van de huurobjecten gelijk verdeeld over de hele provincie, of speelt de factor (hoofd)stad hier ook een rol? En vinden Drentenaren de huur wel duur?

Tegeltuinenstress

Wateroverlast en hittestress zijn redenen om tegels uit de achtertuinen te halen. ‘Ruim een derde van de tuinen bestaat uit tegels: “Risico op wateroverlast”’ (AD) tot ‘Emmen en Borger-Odoorn meest “versteend” (en dan gaat het niet om hunebedden)’ (RtdDrenthe). ‘Almere heeft van heel Nederland de meeste betegelde tuinen’, meldt mijn lokale omroep. Bij nader onderzoek blijkt vooral Almere Poort de boosdoener: maar liefst 86,3 procent van de tuinpercelen daar zijn ‘bestraat, bebouwd of kaal’. Toch verrassend dat zo’n nieuwe parel in de polder ondanks betrokken bewoners, gemeenten, projectontwikkelaars, bijna geheel versteend wordt opgeleverd.

Is het mogelijk dat er in Almere Poort gewoon nog relatief veel kaal bouwterrein (zonder gras) ligt en dat deze als tegels worden meegeteld? Gaat het enkel om de privétuinen of telt de gemeentelijk tuin hier ook mee? Zelfs het buitengebied van Dronten, 67,6 procent van het tuinoppervlak bestraat, bebouwd of kaal, moet eraan geloven. Past hier de gemeentegrens, als bril om naar het verschijnsel te kijken, wel, of moeten we door een woonkernenbril naar tegeltuinen kijken? Hittestress en wateroverlast spelen vast minder in het buitengebied.

Worstelen met stikstof

‘Gemeenten worstelen met stilgelegde projecten door stikstofuitspraak’ aldus de NOS op 9 september. Van een afstandje geeft een blik op de kaart vooral het beeld van een grijs landschap met ‘vragen niet beantwoord’ weer. Hoe (in)compleet moet een dataset zijn, voordat je deze nog aan een kaart kan toevertrouwen?

De gebruikte visualisatie verleidt de lezer naar het aantal projecten, dat per gemeente gevolgen van de stikstofuitspraak ondervindt, te kijken. Maar is het aantal projecten wel relevant? Een project met 100 huizen heeft toch een heel ander effect dan 5 projecten met 10 huizen. En wat te denken van plannen in de landbouw of industrie. Telt daar ook enkel het aantal projecten?

Ruimtelijke denkfouten

Wat samen op een kaart wordt afgebeeld suggereert voor de lezer meteen een onderlinge relatie. Die suggestie is niet altijd terecht. Verbazingwekkende kaarten ontwerpen, het is een goede opdracht voor studenten sociale geografie of Geo, Media en Design: breng verschijnselen in kaart, die weinig met elkaar gemeen hebben (bijvoorbeeldkaart boven artikel: roken en dicht bij een bibliotheek wonen). Er kleeft meteen een schijn van waarheidsvinding aan de kaart. Maar de doordenker doorziet al snel de fout: is het mogelijk dat op grotere afstanden van een bibliotheek minder wordt gerookt, omdat daar minder mensen wonen?*

Misschien past zo’n opdracht ook bij leerlingen? In grote steden worden meer stemmen uitgebracht dan in kleine dorpen, in steden zijn meer goed geïsoleerde huizen, rond scholen met weinig aardrijkskundedocenten worden minder leerlingen tot geografisch denken aangezet. Door de kaart heen kunnen kijken en denken, het blijft een belangrijke competentie.

 

*met dank aan Bart Kloostra, student Geo, Media en Design.

 

Verschenen op geografie.nl, 19 november 2019.

Wegwijs worden in de geosector

2019 September 22

Wie terugdenkt aan een eerste studiejaar, en zich het beeld van een toekomstig werkveld nog kan herinneren, begrijpt meteen dat er tussen toekomstbeeld en realiteit een aardige kloof kan ontstaan. Om die twee perspectieven zo goed mogelijk op elkaar aan te laten sluiten, verkennen studenten Geo Media en Design (GMD) tijdens het eerste studiejaar meteen de sector waarin zij later mogelijk werkzaam zullen zijn.

Zo’n verkenning schreeuwt om een dataset, zeker bij een studie als GMD. En die dataset nodigt als van nature uit tot allerlei geografische vragen over geosector zelf. Wegwijs worden in de geosector is niet alleen voor de studenten leerzaam, ook potentiële werkgevers en het onderwijs kunnen er hun voordeel mee doen.

Ondernemend in de geosector

Onder de geosector verstaan we alle organisaties die zich structureel met geo-informatie bezighouden. Met andere woorden: als de digitale kaart niet werkt, dan staan belangrijke delen van de organisatie stil. Tijdens de module Ondernemend in de geobranche ontdekken studenten wat de maatschappelijke betekenis van geo-informatie is en welke rol geo-informatie binnen organisaties kan spelen. Ze herkennen relevante ontwikkelingen en passende ideeën voor innovatie. Een dataset van organisaties, die is samengesteld dankzij open data van de GeoBuzz-beurs, het innovatieprogramma Ruimte voor Geo-Informatie en GeoBusiness Nederland, dient als basis voor deze ontdekkingsreis.

Als eerste stap om tot inzicht in de geosector te komen zijn de organisaties in categorieën ingedeeld: overheid, bedrijfsleven of onderwijs en onderzoek. Categorieën helpen om een sector te verduidelijken, maar ze roepen tegelijkertijd ook vragen op. Wat te denken van bedrijven die een hbo-opleiding in de markt zetten of van onderwijsinstituten, die betaalde afstudeeropdrachten aan de man brengen? Is het GeoFort een bedrijf dat namens de overheid het onderwijs inspireert?

Voor de leerervaring van de studenten is een beetje verwarring alleen maar toe te juichen.

De verzamelde dataset van organisaties is aangevuld met andere kenmerken, zoals grootte van de organisatie, type overheid, organisatievorm. Deze verrijkte dataset maakt nieuwe geografische analyses, waarbij we voorbij de punten op de kaart kijken, mogelijk: waar komen de bezoekers van de GeoBuzz vandaan en verschillen deze patronen voor overheid, bedrijfsleven en onderwijs? Vanuit welke regio’s zouden we volgende jaar nieuwe deelnemers kunnen interesseren?

De edities van de dataset van de komende jaren zullen een extra dimensie, tijd, toevoegen en zo nieuwe geografische analyses mogelijk maken: waar verandert de betekenis van geo-informatie voor de maatschappij, bijvoorbeeld dankzij circulaire economie en energie transitie? Welke organisaties zijn nieuw gestart en welke zijn er verdwenen? Is er een infrastructuur van regionale clusters van samenwerking, een geovalley, te ontdekken en zo ja, waarom is die daar ontstaan?

Wegwijs in het onderwijs

Een belangrijk doel van de dataset: studenten enthousiast maken over een werkveld, waaraan zij zelf graag een bijdrage willen leveren. Het GeoLab van de Aeres Hogeschool, dé locatie voor praktisch onderzoek naar de toepassing van geo-informatie, staat open voor inspirerende geografische vragen en antwoorden. Dat is ook voor potentiële werkgevers, die ruimte bieden aan ondernemende studenten en potentiele nieuwe medewerkers, interessant. Om de promo voor het GeoLab compleet te maken: over die vragen gaan studenten en docenten graag persoonlijk het gesprek aan. Dat kan voor geo-professionals tijdens de aanstaande Esri GIS Conferentie en de GeoBuzz. Tijdens de KNAG Onderwijsdag gaan we graag het gesprek aan over geografische vragen voor het voortgezet onderwijs: op welke scholen doen hoeveel leerlingen eindexamen en in welke vakken? Zijn er regionale invloeden te ontdekken? Wat betekent dat voor mogelijke vervolgopleidingen? Wij kijken nu al uit naar de mogelijke analyses en visualisaties!

Tegen de tijd dat deze studenten afstuderen, zal de realiteit van een werkveld alweer aardig zijn veranderd. Zelfs de doorgewinterde geo-professional krabt zich regelmatig achter de oren, over wat blijft en wat is veranderd. Een nieuwsgierige houding van (young) professionals is daarom van belang. Precies wat we met het GeoLab willen bereiken. Inzicht in de geosector, het kan niet vroeg genoeg worden gestimuleerd.

Verschenen op geografie.nl, 11 september 2019.